Column 7 maart 2013

 

 

Over Michael Boogerd en andere renners

 

 

In de jaren dertig van de vorige eeuw reed mijn oom Henk van Aurich wedstrijden. In Nederland, en vaak in België 
dat laatste geval stapte hij om vier uur 's nachts op de racefiets, roste naar Vlaanderen,
kwam
om 10.00 uur 's ochtends aan, rustte wat uit, at acht boterhammen, 
controleerde zijn fiets, schoof vooraan in het peleton – daarbij zijn Belgische 'collega's' zorgvuldig uit de buurt blijvend – 
keek naar de lucht en bepaalde zijn strategie. Was het een vriendelijke dag, dan pakte hij het wiel van
een Belgisch talent en loerde op een kansje in de slotkilometers. Woei het hard, liefst met regenbuien, 
dan wreef hij zich in de handen en ging er vanaf het startsein vandoor.

 

Zo'n wedstrijd was ongeveer 200 kilometer lang, de gemiddelde snelheid 35, dus om een uur of vijf

drukte hij zijn voorwiel als winnaar over de meet en kon hij na de modder uit zijn ogen te hebben

gewassen de nieuwe banden of andere prijzen in ontvangst nemen. Dik tevreden maar als

rechtgeaard Amsterdammer kankerend op alles en iedereen - en na een uurtje recupereren relatief fit –

sprong hij weer op zijn racefiets en aanvaardde de terugtocht naar het Noorden, naar huis.

 

Natuurlijk won hij lang niet altijd. In kansrijke positie liggen was in België trouwens niet ongevaarlijk.

Dreigde je als kaaskop van een Belg te winnen, dan was er altijd wel een motorrijder die een stuurfout

maakte en 'per ongeluk' je achterwiel raakte. Open knieën, schaafwonden, gescheurde kleding, een verder

onbruikbaar wiel en een voortijdig einde aan de wedstrijd. Kon je een wiel proberen te lenen.

Geld voor de trein was er niet.

 

Nou ja, het hoorde er allemaal bij, en mijn oom Henk kon goed sturen, dus vaak omzeilde hij

zo'n aanslag split second. Dat was 1928, 1930. Van Aurich was een amateur renner, is ooit derde

geworden op het Nederlands wegkampioenschap en reed in 1929 lange tijd solo aan kop tijdens de

wereldkampioenschappen in Zurich. Overmoed of materiaalpech kostten hem helaas de zege. Nou ja,

het hoorde er allemaal bij.

 

Heeft oom Henk ooit iets gebruikt voor zover jij weet?”, heb ik mijn vader (90) onlangs gevraagd.

Hij moest het antwoord schuldig blijven. Mijn vader dacht van niet, maar het is lang geleden.

 

Ook mijn hart gaat sneller kloppen als de Tour of de Giro los gaan. Een paar jaar terug tijdens

een vakantie in Frankrijk zag ik met mijn gezin op de voorlaatste Tour-dag de tijdrit. Een geweldig

avontuur tussen al die gekke Fransen, die overigens nipt een renner bij de eerste 30 wisten te krijgen.

'Mijn' Boogerd flitste voorbij, werd nota bene zesde wat supergoed was, maar reed ook toen met de

handremmen licht ingeknepen. Het was immers de bedoeling van Rabo dat zijn kopman,

Denis Mensjov, de Tour zou winnen. Onzinnig, want deze getalenteerde maar grillige Rus

voelde zich in de Tour als een eekhoorn in een teiltje met sop. Giro? Prima, No! Vuelta? Doen we

even! Maar Frankrijk...

 

Boogerd, dát was Frankrijk. Ik baalde van Rabo. Brulde “Michael Boogerd, Le Vrai Champion!!!”

toen hij langs kwam. Misschien heeft hij het gehoord, maar belangrijker vond ik dat die Fransen

met hun klapstoelen en campers het hoorden. Daar fietste een pure topsporter, zoals Nederland er

af en toe een heeft. Een aardige kerel bovendien, niet zo'n arrogante zak als Lance Armstrong.

Michael was van ons.

 

Was? Is? Wie weet het nog? Voor mij is hij het en blijft hij het. Ik schrijf deze column met schaamte.

Schaamte voor het feit dat wij met z'n allen deze topsporter en al zijn collega's over de kling

hebben gejaagd. Willens en wetens. Onmenselijk zware bergetappes, 34 graden in de schaduw,

tussen stofwolken en roet spuitende volgauto's en motoren. Harder, harder, tweede worden telt niet.

138Ste worden betekent even veel afzien maar de anonimiteit en onzekerheid over je boterham.

 

Winnen, winnen, winnen, echoot het door de hoofden van de meest getalenteerden. Spookte het door

Michael's kop. Beuken, ach, het hoort er allemaal bij. Maar de 'bezorgde' blikken van de ploegleider

toen hij niet meer 'leverde', of minder in elk geval, ze staken hem in de gekromde rug. Boogie Woogie

danste niet meer de helling op, zoals Smeets vanuit zijn comfortabele commentaarpositie met

wit, rood of rosé in lichte verbazing en teleurstelling constateerde. Bijna alsof Boogerd het

allemaal alleen voor Smeets deed. En papa was teleurgesteld.

 

Het gaat mij niet om Smeets, natuurlijk. Heet gaat mij om de hypocrisie van de wielerwereld,

de macht van het geld, de betweters en meedogenloze managers die de wielersport vermoord hebben.

Die de renners dingen lieten doen die fysiek onmogelijk zijn. Spuiten en slikken, daar gaat het in de

wielrennerij om. Ik zag laatst een renner in De Wereld Draait Door die samen met zijn echtgenote

uitlegde waarom hij nooit 'gebruikt' had. Hij had ook nooit een wedstrijd van enig belang gewonnen.

Een renner op bijstandsniveau, zullen we maar zeggen. Een eerlijke, aardige jongen die inderdaad

zo slim was de 'sport' de rug toe te keren voordat hij in de dopingfuik verstrikt zou raken.

 

Een eenling, wel te verstaan. Bijna anoniem. Okay, hij komt misschien net als Henk van Aurich

wel met een kleine vermelding in de wieleranalen te staan. Een nietig stipje op internet.

Zuiver geweten, maar totaal in de marge.

 

De sponsors van de wielerploegen, zeg maar de Rabobanken van Europa en Amerika, moeten zich

diep schamen. De wedstrijdbobo's, de 'heren' van de Tour incluis, moeten zich schamen. De

zogenaamde artsen die de renners de troep hebben toegediend zouden uit hun ambt gezet moeten

worden. Zij horen in de beklaagdenbank.

 

Met z'n allen hebben ze de wielerwereld een rampzalig imago bezorgd. Geld, geld en nog eens geld.

De sport op de tweede plaats, de gezondheid van de profs niet eens op een derde. Respectloos. Kil.

De wielerwereld is eigenlijk al dood, de bijna lachwekkende uitspraken over 'we gaan de sport

weer clean maken' klinken als holle frasen. Het publiek wil meer, beter, sneller, en dat kan alleen maar

met doping.

 

Zeker, renners die zeggen dat ze 'schoon' zijn zullen er ook in de toekomst zijn. Je kunt ze herkennen

aan hun bescheiden positie in het klassement. Ergens vanaf plaats 60 en lager. Nou ja, de

topwaterdragers doen er verstandig aan hun mond te houden. En te hopen op nieuwe technieken

om door de controles te glippen. Want spuiten en slikken moeten ze, anders kunnen ze hun beroep

niet naar behoren uitoefenen.

 

Ik daag de eindredactie van de Volkskrant , die Michael Boogerd daags na zijn bekentenis op de voorpagina

genadeloos neersabelde uit op een racefiets te klimmen en de Mont Ventoux op te rijden, of Alpe d'Huez.

Clean, wel te verstaan. Ik nodig Smeets daar liever niet toe uit, want welk verzet trap je na zoveel wijn nog?

 

Wat doe ik met mijn eigen schaamte? Niet meer naar wielrennen kijken? Dat is niet in het belang van

de renners, denk ik. Ik moest maar een klein beetje trots gaan zitten wezen op mijn oom Henk.

En op Michael Boogerd. Als ik hem ooit tegen kom zal ik hem mijn excuses aanbieden. Voor mijn eigen

oogkleppen. Maar hoe dan ook, ik zal hem me herinneren als een renner uit de tijd dat wielrennen nog sport was.

De tijd van de Wout Wagtmansen, de Wimpies van Est, de Jan Janssens, de Joop Zoetemelks, Gerry Knetermannen,

en dus ook van de Michael Boogerds.

 

 

Fulco van Aurich, imagodeskundige